Lama Ole Nydahl: Leren op een totale manier De leraar – leerling relatie

Karmapa International Buddhist Institute (New Delhi, India), 1994

Stel dat het Boeddhisme 500 jaar geleden verdwenen was en we zouden nu de teksten en beelden ervan terugvinden. Welke gedeelten van de dharma zouden we dan nieuw leven kunnen inblazen?

Als we realistisch naar oorzaak en gevolg in ons leven hadden gekeken, zouden we gemakke­lijk tot de inzichten van het Theravada ofwel de Kleine Weg van het zuidelijk boeddhisme komen. We zouden al weten dat gevolgen van soortgelijke aard zijn als hun oorzaken, en ook zouden we al enige ervaring hebben met wat bruikbaar en wat schadelijk is in het leven. Het onderricht op het niveau van wat heilzaam of onhandig is, zou vanzelf duidelijk zijn.

En als we een zeker niveau van innerlijke vrede en kracht hadden bereikt met een surplus aan energie en in staat waren voorbij hoop en vrees naar de dingen te kijken; als we ervan overtuigd waren geraakt dat alle wezens geluk nastreven en lijden willen voorkomen; en als we hadden gezien dat alles opkomt, verandert en weer verdwijnt zoals in een droom, dan zouden we het Mahayana of noordelijk Grote Weg Boeddhisme kunnen doen herleven. Het Vajrayana of Diamantweg-boeddhisme zou echter nooit nieuw leven kunnen worden ingeblazen zonder levende bronnen. Hoe geavanceerder Boeddha’s lessen, des te subtieler en totaler de toege­paste methoden en des te essentiëler de totale ervaringstransmissie van een leraar.

Op het niveau van oorzaak en gevolg op de Kleine Weg is een leraar nuttig, maar met boeken alleen kan het ook. Bij het Mahayana, dat de innerlijke kwaliteiten van medegevoel en wijsheid ontwikkelt, is een leraar belangrijker. Omdat het met meer aspecten van onze totali­teit werkt, is het bijzonder nuttig om een levend voorbeeld te hebben – iemand die bovendien onze ontwikkeling bewaakt. Maar de Diamantweg begint niet eens zonder een leraar. Als nie­mand de levende ervaring zou hebben, en dus niemand in staat zou zijn die door te geven, zouden we niets anders hebben dan intellectuele of cryptische boeken en afbeeldingen, die we misschien niet eens mooi zouden vinden. Als er geen levende drager van de ervaring zou zijn, zouden we geen toegang hebben tot de transformerende kracht van die boeken en afbeeldingen.

Voor het hoogste niveau heb je dus een leraar nodig. Het is echter belangrijk om hem of haar niet als persoon of god te zien, maar als een spiegel voor je eigen potentieel. Door ons met ontelbare vernuftige methoden onze tijdloze aard te laten zien, vertegenwoordigt hij in feite de Boeddha.

Dankzij een leraar kunnen we alle aspecten van het leven transformeren. Elk soort contact is aanwezig: zijn fysieke lichaam, zijn spraak en dat wat we leren van zijn diverse reacties op de wereld. Met hem hebben we een kans tot totale identificatie en kunnen we ons laten inspireren op elk niveau van ons menselijk bestaan. Onze intelligentie, moed, seksualiteit en potentiële vreugde worden poorten om zijn inspiratie te ontvangen. Door verbonden te zijn met een le­raar die het volle leven omarmt, is het mogelijk om op een allesomvattende manier te leren.

Omdat de ontmoeting van leraar en leerling zo een brede basis biedt voor groei, is het enorm belangrijk dat de afspraken duidelijk zijn, dat beiden weten wat ze wel en niet moeten doen en welke kant ze in hun uitwisseling opgaan.

In de moderne wereld van vandaag is dit veel belangrijker dan in de traditionele samenlevin­gen in het Oosten. In het Oosten zijn de rollen duidelijk afgebakend en hebben mensen vaak niet zulke emotionele verlangens naar directe ervaring. Daar wordt je niet boeddhist omdat je in de ban van een leraar raakt of een snelle verlichting wilt. Je hangt een school aan en ge­looft erin omdat je vader en grootvader hetzelfde deden.

In het westen kiezen we een religie op basis van ons gevoel. De kracht hiervan is dat er iets overtuigends plaatsvindt. De zwakte is dat ervaringen voortdurend wisselen. Zodoende rennen we altijd vol idealisme achter iets aan dat er eigenlijk niet is.

Nu het boeddhisme naar ons toe komt, moeten we onszelf zien als bezems. Het is ons doel om de unieke lessen over de geest – de droge baby – door te geven zonder het culturele badwater dat door de eeuwen heen verzameld is en dat niet van ons is. We willen echter wel de hele baby. Als we het te snel naar ons toe trekken, zoals bij veel refor­ma­ties gebeurt, dan kon het wel eens arriveren met één been of arm. Onze bescheiden doelstel­ling – en waarschijnlijk is dat nooit eerder in de geschiedenis gerealiseerd – is heel bewust het beste van het hoog ontwikkelde, maar politiek misleidende Tibetaanse spirituele systeem te enten op de mooie verworvenheden van onze open, moderne wereld. Als we kritisch en duidelijk blijven en in staat zijn de Diamantweg een functionele vorm te geven, zullen we de beste lessen over de geest hebben zonder de culturele franje die niets met ons van doen heeft.

Aan de andere kant gebeurde alles in het Oosten ook open en bloot. Je hoefde maar te weten welk niveau van beoefening de leraren volgden en je wist of je ze kon vertrouwen. Zo stelde de Boeddha 250 regels voor monniken en 350 regels voor nonnen op. Het ging vooral om dingen die ze niet moesten doen; als ze zich aan deze geloften hielden, waren ze goede monniken en nonnen. Je buiten een klooster volledig aan deze regels houden is waarschijnlijk niet mogelijk en een celibatair die geen geld mag aanraken en niet in de buurt van de andere sekse mag komen, heeft het op straat bepaald niet gemakkelijk. Zelfs de hoogste incarnaties komen in de problemen als ze zich teveel met politiek of geld inlaten.

Boeddha’s adviezen aan leken lagen op het niveau van medegevoel en wijsheid. Hun taak was het om de maatschappij te laten draaien, zijn leer te ondersteunen en te oefenen in het dage­lijkse leven. Daar ze hun handen vrij moesten hebben om vooruit te komen in het wereldse proces van ‘geven en nemen’, bleef zijn advies wat men moest vermijden beperkt tot niet doden, liegen, stelen, drugs nemen of het seksueel misbruiken van anderen. Basisbeloften die praktisch ingestelde mensen waarschijnlijk nuttig vinden om te doen. Bij leken ging het dus vooral om hun motivatie. Hun daden moesten gericht zijn op het welzijn van anderen en op een zinvolle ontwikkeling van de maatschappij, hun familie en hun vrienden.

Dan was er nog een derde groep mensen die de Boeddha onderwees: de yogi’s of verwerke­lijkers. Zij leidden een onconventioneel leven en hielden vast aan de hoogste visie van de zuiverheid van alle fenomenen. Hun taak was het de poten onder de stoelen van hun maatschappij vandaan te schoppen als die te dualistisch, moralistisch of overgereguleerd werd. Omdat ze de visie vasthielden en voortdurend de grenzen van het bestaan onderzochten, werden ze geacht alles bij voortduring te zien als van nature fris en vol potentieel. Omdat ze de wereld ervoeren als stralend en sprankelend was er altijd ruimte voor nieuwe oplossingen.

Binnen de drie niveaus van monnik/non, leek en verwerkelijker waren de regels voor de leraar duidelijk. En op het dorpsniveau, waar de meeste mensen leefden, werd het snel duidelijk of de regels werden nageleefd of niet. Als de monniken en nonnen trots werden, zich met politiek inlieten, seks hadden of niet in de kloosters bleven, was het zo met ze gedaan. Raakte de familie van de leek van het juiste pad, of bracht hij zijn vrienden door bedrog of door slechte overeenkomsten te sluiten in moeilijkheden, dan verloor men het respect voor hem. En een verwerkelijker die op een verdronken kat leek, en noch zichzelf noch anderen kon inspireren, was helemaal geen verwerkelijker. Mensen wisten precies wat iedereen te doen stond. In de hechte boeddhis­ti­sche gemeenschappen kwam het zelden voor dat goeroes hun leerlingen op het verkeerde spoor zetten om de eenvoudige reden dat de sociale controle zo groot was.

In het Westen kwam het boeddhisme echter terecht in een samenleving die snel, idealistisch, open en vrij was. Dergelijke controlemechanismen ontbraken hier. Wij hebben ge­woon geen regels voor monniken, leken en verwerkelijkers. Mensen leven ver van elkaar vandaan en niemand onderzoekt wat een goeroe doet, althans onder zijn eigen intimi. Iedereen wil een emotionele pauze, wil even niet kritisch zijn zoals in de politiek en op het werk, en bijna niemand kent de grenzen van wat een leraar kan en mag. Zo kwamen mensen met suggestieve vermogens, met woorden en organisaties die de tijdgeest aanvoelden en sterke gevoelens opriepen, in volledig braakliggend gebied. Omdat ze uit het Oosten kwamen, verwachtte niemand solidariteit, democratie of andere Europese waarden van hen. Zo kwamen ze in een vacuüm terecht waar ze jarenlang hun gang konden gaan.

Nu we van verscheidene recente schandalen geleerd hebben dat ook boeddhistische leraren gecheckt moeten worden, moeten zaken meteen vanaf het begin duidelijk zijn. De leraar moet handelen in overeenstemming met zijn woorden. Hij moet gevoelige onderwerpen niet uit de weg gaan en wijzen op de oorzaken van toekomstige problemen, zoals overbevolking in getto’s en arme landen, en de groei van de Islam. Een leraar beschermt zijn studenten niet als hij zoete broodjes bakt. Hij moet bereid zijn af en toe aanstoot te geven. Dat is zijn verantwoordelijkheid.

Uiterlijk moet de leraar dus relevant en onbevreesd zijn. Tegelijkertijd moet hij zichzelf voort­durend tegen het licht houden en er zeker van zijn dat hij geen egoïsme, vreemd gedrag, misplaatste vriendelijkheid of trots ontwikkelt. Hij moet zichzelf voortdurend vragen stellen zoals: ‘Denk ik aan het voordeel dat mijn leerlingen mijn organisatie of mijzelf kunnen opleveren, of denk ik aan hún ontwikkeling?’. En: ‘Maak ik ze afhankelijk of leer ik ze hun eigen innerlijke kracht te vinden?’. Terwijl hij geniet van het potentieel van zijn leerlingen moet een leraar zich altijd realiseren dat ze alleen geboren zijn, dat ze onwenselijke situaties in het leven zullen ervaren en dat ze zich waarschijnlijk alleen zullen voelen als ze sterven. Daarom moeten ze nu zelfstandig, onafhankelijk en sterk worden, zodat ze elke zich aandienende gebeurtenis kunnen hanteren.

Er is geen eer aan te behalen om je leerlingen in machtsstructuren te plaatsen, ze te bedriegen met gewoonten van culturen die ze niet kunnen beoordelen, of ze in kleren te hijsen die hen afsnijden van het maatschappelijk verkeer. Organisaties zijn er niet om leraren beroemd te maken maar om ze de gelegenheid te bieden hun inzichten met velen te delen. In deze positie is het niet te voorkomen dat ze omringd worden door zowel vrienden als groupies, die be­scher­ming zullen bieden en eventuele tekortkomingen zullen vergoeilijken. Daarom moet de leraar zichzelf op het meest dagelijkse niveau controleren: ‘Draag ik nog steeds mijn eigen bagage? Ben ik nog steeds dankbaar? Ben ik openhartig tegen ze of praat ik uit de hoogte? Zie ik hun boeddhanatuur en het unieke in ze? Voel ik me belangrijker?’. Dit is cruciaal, want trots sluipt er snel in. Het valt uit een onverwachte hoek aan en plotseling ben je op luxe gesteld, slap en uitgekookt. Macht corrumpeert, en absolute macht corrumpeert absoluut. Dit gaat altijd op.

Terwijl het levenssap van eerdere nuttige activiteiten goed fruit produceert, moeten de wortels nieuwe voedingstoffen blijven aanleveren. Daarom moet je ook het niveau van je activiteit in de gaten houden. De leraar moet controleren of hij nog steeds fris en experimenteel is. Of hij plezier heeft. Of hij nog steeds zo hard werkt als in het begin van zijn loopbaan. Of hij zijn lessen uit andermans boeken haalt, of sentimenteel over hoge geestesniveaus praat die hijzelf nauwelijks kent. Als je mensen leert om onbevreesd te zijn, omdat geest ruimte is en niet beschadigd kan raken, moet je af en toe ook je eigen moed laten zien. Als je praat over de vreugde van de helderheid van de geest, moet je zelf die vreugde ook voelen. En als je leerlingen uitlegt dat medegevoel natuurlijk is, omdat we allemaal deel zijn van een totaliteit, dan moet je zelf ook liefhebbend zijn en hard werken.

De leraar moet zich ontwikkelen en niet blijven steken in zijn huidige beperkingen. In plaats daarvan moet hij zich bewust blijven van de ruimte van de geest en zich identificeren met de totaliteit, met oplossingen en het uiteindelijke doel. In dat geval zullen er steeds minder fouten optreden. Als je jezelf hard genoeg aanpakt, zullen er geen twijfels of bedenkingen meer zijn. Er zal geen ruimte voor intriges zijn. En ook niet voor het idee om de goede lessen aan geldschieters te geven en de middelmatige aan minder interessante mensen. Het zal gewoon niet gebeuren. Men zal naakt zijn en integer, een echte verwerkelijker.

Dat was de kant van de leraar. Nu zul je wel willen weten wat de leerling moet doen. De eerste voorwaarde is dat hij bereid is te leren en hard te werken. Dat opent een ruimte die voorbij gaat aan het ego en concepten. Een ruimte waar allerlei soorten ontvankelijkheid worden vrijgemaakt en waar de transformerende effecten van de ontmoeting afhangen van het geïnvesteerde vertrouwen. Hier is het essentieel dat de leerling op een intelligente en bewuste manier betrokken raakt. Hoewel het moeilijk is om niet geregeerd te worden door je verlangen naar snelle perfectie moet je als leerling toch de leraar zo goed mogelijk onderzoeken. Je moet hem evalueren, en beslissen wat voor een persoon hij is. Zou je bijvoorbeeld een tweedehands auto van hem kopen? Leerlingen moeten aan­vankelijk kritisch zijn, want in de komende jaren zullen ze zeker veel van zijn kwaliteiten overnemen. Als leerlingen niet de noodzakelijke vragen stellen en de leraar niet solide is, zal hun ontwikkeling zeker ontsporen. Ten minste tot ze een betere leraar vinden.

Natuurlijk is het moeilijk om je volledig te openen voor een ander wezen, vooral als diegene sterk staat. Het betekent altijd een verlies van een aantal aspecten van je sprookjeswereld. Er zal je iets worden afgenomen: gedachten die je koestert en gevoelens en ervaringen die je wilt bewaren. Vooringenomen ideeën moeten plaats maken voor echte inzichten, en om dit te doorstaan moet je als leerling tegen een stootje kunnen en niet te sentimenteel zijn. Je moet op weg. Van het relatieve en geconditioneerde naar het absolute en tijdloze, en je moet bereid zijn je meeste spirituele ideeën, de mooiste concepten en de aangenaamste gevoelens los te laten.

Je zult dat offer echter moeten brengen om een unieke gelegenheid niet voorbij te laten gaan. Alleen goede indrukken, gedurende vele levens lang verzameld, maken duidelijk dat de geest die ervaart veel belangrijker is dan de beelden die hij ervaart. Die overtuiging kun je gemakkelijk weer verliezen. Daarom is niets waardevollers dan dit. Bevrijding en verlichting zullen alleen gebeuren als de leerling zijn vertrouwen in de aard van de geest in het hier en nu plaatst. Sneller dan elke andere gecompliceerde methode kan basaal vertrouwen in een betrouwbare leraar het stralende bewustzijn, dat altijd al in de leerling aanwezig was, naar boven halen. Daarbij hangt de snelheid van iemands ontwikkeling af van zijn of haar ontvankelijkheid. Wie de leraar als een boeddha ziet, ontvangt de zegen van een boeddha. Wie hem als een bodhisattva ziet, zal een zegen van die sterkte krijgen. En wie de boeddha als een normaal wezen ervaart, krijgt waarschijnlijk niets anders dan hoofdpijn! Achter de spelletjes van het ego ligt niets anders dan stralende wijsheid, en de vreugdevolle schittering van de geest zal er altijd zijn. Als dit zelfvertrouwen eenmaal wortel heeft geschoten, zullen de sluiers van de geest geleidelijk en vanzelf vallen.

Dit artikel is voor het eerst in het Nederlands verschenen in 2004 in de tweede uitgave van het magazine "Boeddhisme NU". Een publicatie van Diamantweg Boeddhisme Nederland.

Lama Ole Nydahl: The Source Of Happiness